Arvo Pärt


Arvo Pärt

Arvo Pärt

 

Veel componisten maakten in de twintigste eeuw de ontwikkeling door van atonaal naar tonaal. Arvo Pärt volvoerde deze overgang echter op geheel eigen wijze. Zijn ontwikkeling als kunstenaar en componist is te verdelen in de volgende periodes:

Eerste periode: 1956-1968

De eerste creatieve periode begon met neoklassieke pianostukken: 2 sonatines opus 1 en Partita opus 2. Dit werk werd al snel gevolgd door meer complexe werken met avantgarde technieken: Nekrolog (1960), mogelijk zijn eerste belangrijke werk, en het eerste Estse twaalftoonswerk. Hij had er wel succes mee, maar het werk veroorzaakte ook ophef en Pärt werd beschuldigd van westerse decadentie. Perpetuum Mobile (1963) volgde, een krachtige pulserende golf van geluid. De structuur was duidelijk serieel (twaalftoons) maar wel gereduceerd tot eenvoudige formules. Pärt begon erkenning te krijgen in het westen. Met Symfonie nr. 1 studeerde hij af aan het conservatorium. Hierna leidde zijn verdere stilistische ontwikkeling tot collagetechniek. Hij liet als het ware zijn progressieve avant-gardetechniek “botsen” met quotes en citaten van eerdere muziekstijlen. Vooral in Credo (1968) confronteerde dat nogal. Hierin staat de prelude in C uit het Wohltemperierte Klavier centraal. De muzikale taal lijkt extremer te worden en te verharden (“oplopend tegen grenzen als een lawine”). Deze “strijd” wordt besloten met een soort overwinning van Bach op de moderniteit in Pärts eigen muziek. Enige provocatie lag er wel in besloten. De ochtend na de zeer succesvolle première (in Tallinn onder leiding van Neeme Järvi) al werd het Credo door de autoriteiten in de ban gedaan. In dezelfde periode werd Pärt Russisch-Orthodox en trouwde hij met zijn tweede vrouw Nora.

Crisis 1968-1976

Het succes van de citaten en quotes in Credo betekende een ommekeer in de stilistische ontwikkeling. Pärt begon alle voorgaande technieken als betekenisloos te zien. Hij probeerde een eigen stem te vinden en dit dreef hem in een soort creatieve crisis, die 8 jaar duurde, en hij kon zelf niet voorspellen waar dit uitkwam. Zoals hij zelf zei, hij moest opnieuw leren lopen. In beginsel stopte hij met componeren. Hij bestudeerde het Gregoriaans. Dit vond hij essentieel voor de zicht op muziek, en dit wordt geïllustreerd door zijn stelling dat “achter de kunst twee noten te verbinden een kosmisch mysterie is gelegen”. De enige compositie uit deze periode is de Symfonie nr.3 (1971).

Tintinnabuli 1976- heden

In 1976 werd Arvo Pärt weer creatief met het kleine pianostukje Für Alina (opgedragen aan een dochter van vrienden). De werkwijze die hij hierin gebruikte inspireert hem tot op de dag van vandaag en kreeg de naam Tintinnabuli (klokjes): geen complexiteit, maar eenvoud en reductie, en discipline jezelf te beperken tot dat wat essentieel is. Er volgden veel composities in deze stijl met vooral tonale structuur, geïnspireerd door oude stijlen, moderne technieken en minimal music: synthese van oud en nieuw. Pärt ging ook eigen stukken bewerken en opnieuw uitschrijven voor andere instrumenten, soms omdat dat voor uitvoering nodig was, soms ook omdat hij nieuwe artistieke uitdagingen zag. Hij heeft dat vooral gedaan met Fratres. “De muziek zelf bestaat gewoon. Pas door instrumenten kun je er kleur aan toevoegen”.
In 1977 (30 september) vond de première plaats van Tabula Rasa in Tallinn door Gidon Kremer (viool), Tatiana Grindenko (viool), Alfred Schnittke (piano), het Tallinn Kamerorkest en dirigent Eri Klas. In datzelfde jaar volgde Cantus in Memory of Benjamin Britten, Fratres, en Summa.
In 1980 kon hij toestemming krijgen te emigreren naar Israël (zijn vrouw was Joods). Het echtpaar kwam niet verder dan Wenen en ging later naar Berlijn. Hij voelde zich bevrijd van de Sovjet-discipline. In de loop van de volgende jaren werden veel muziekstukken gecomponeerd steeds met als herkenbare stijl de tintinnabuli. De compositorische aanpak van Arvo Pärt heeft zich wel over de door hemzelf gestelde grenzen uitgebreid sinds de jaren 70-80, maar de essentie van zijn muziek is grotendeels hetzelfde gebleven: een welhaast “ascetische” manier van componeren die toch indruk maakt en die de componist enorm populair heeft gemaakt. In Estland is Pärt een toeristisch fenomeen. Hij krijgt veel opdrachten. In toenemende mate maakt hij werk voor zangcombinaties en is zijn werk religieus geïnspireerd. In 2011 keerde hij terug naar Estland waar hij nu woont

Een oud vroegchristelijk gebed werd in 2004 op muziek gezet in de tintinnabuli-stijl: Da Pacem (geef vrede). Eenvoudige drieklanken gaan hierin samen met een eenvoudige melodie met kleine toonsafstanden.