Muziek mooi vinden: muzikaliteit


Muzikaliteit aangeboren

Op de vraag “Houdt u van muziek?” volgt meestal het antwoord: “Ja, maar niet van alle muziek”. Dit bracht mij ertoe na te gaan hoe liefde voor muziek en verschillen in smaak tot stand komen.

Twee jongensportretten, twee smaken

Twee jongensportretten, twee smaken

Wanneer vinden we muziek mooi en wanneer vinden we het onbestemd lawaai? Een kwestie van smaak, ja, maar hoe zit dat dan?
En is het alleen dat, of zit er meer achter? Over smaak moet je zeker niet twisten, maar je kunt er wel over nadenken. Smaak kan bijvoorbeeld elitair zijn en bovendien gebruikt worden als onderscheidingsmiddel. Wat we mooi vinden dragen we ook uit.
Muziek is te vergelijken met taal. Beide zijn culturele fenomenen, we hebben aanleg voor taal, immers we kunnen lezen en schrijven. Pasgeboren baby’s blijken vooral te reageren op melodie en maat. De eerste communicatie verloopt veelal met Infant Directed Speech, “brabbeltaal”, gekenmerkt door toonhoogteverschillen. Baby’s blijken dit interessanter te vinden dan gesproken woord! Bovendien blijkt dat 70 % van de mensen in aanleg een absoluut gehoor heeft en bijna 100 % een “relatief gehoor” (Honing). Dat laatste is bij primaten niet aanwezig. Als muzikaliteit staat voor een aantal vaardigheden om melodische en ritmische patronen waar te nemen en te waarderen, zijn mensen aangeboren muzikaal.

singing Neandth
Het lijkt er inderdaad op dat muziek een ouder middel van communiceren is dan taal. Hebben Neanderthalers gezongen in plaats van taal gebruikt? De archeoloog Steven Mithen is deze mening inderdaad toegedaan. Muziek draagt gevoelens, emoties over. Taal, woorden, dragen informatie over. Maar ook woorden worden verpakt in muziek in een klankenveloppe (prosodie). Let maar op hoe een vragende zin anders klinkt dan een antwoord! Prosodie is voor de betekenis van taal zeer van belang, en in bijvoorbeeld de Chinese talen zelfs essentieel.
Presentatie1
Als muzikaliteit is aangeboren – voorlopig lijkt dat zo – en als mensen zaken kunnen herkennen die primaten niet kunnen waarnemen (relatief gehoor), dan doet zich de onvermijdelijke vraag voor: wat is van muzikaliteit het evolutionair nut. Misschien is het een sociaal bindmiddel: samen muziek maken vermindert onderlinge ruzie en maakt strijdbaar naar anderen (denk aan volksliederen bij sportwedstrijden). Het kan ook bijdragen aan intensievere communicatie, bijvoorbeeld door de kracht van emotie.
Aangeboren is waarschijnlijk ook gevoel voor consonantie, horen van octaaf en kwint, relatie tussen muziek en beweging (Cranenburg). Er zijn sterke aanwijzingen dat bewegen wordt geïnduceerd door muziek, bijvoorbeeld door ritmische patronen. Actief zijn in muziek zou de aanleg van verbindingen in het brein bevorderen.

Muziek een kwestie van smaak

In de groei en ontwikkeling naar volwassenheid worden patronen aangelegd, regels geïnterneerd voor maat, ritme, melodie, harmonie: cognitieve schema’s. Allemaal op basis van wat we horen, kinderliedjes, muziek van ouders, radio en TV. Je zou kunnen zeggen: we maken “ontvangdoosjes” waar het gehoorde in kan passen. We hebben het bijvoorbeeld over gevoel voor toonladder, oplossen van dissonant naar consonant, herhalingen, akkoordenschema’s. We willen inderdaad graag herhalingen horen, dat geeft vaste basis. Maar teveel herhalingen worden weer vervelend. Graag dus een juiste dosering! De Weense klassieken Mozart, Haydn, Beethoven, Schubert, waren meesters in deze dosering! De schema’s, de ontvangdoosjes fungeren als verwachtingspatroon. Bij het schenden van de verwachtingen ontstaat spanning. Een herhaling die net iets anders is geeft spanning, maar boeit ook! Dat gebeurt nogal eens in een lied, maar ook in muziekstukken. Canto Ostinato van Simeon Ten Holt is een prachtig voorbeeld van een stortvloed van herhalingen die allemaal net even anders zijn. Dit fascineert en het stuk is om deze reden (denk ik) geweldig populair. Kleine spanning kunnen we aan, past in het ontvangdoosje, boeit, grote niet. Het leuke is dat we die doosjes kunnen aanpassen, ontwikkelen, en zo “moeilijker” muziek kunnen toelaten. En als dat lukt dan boeit dat en dat ervaren we als zeer plezierig. Inderdaad, soms moet je, om muziek te kunnen ervaren, er iets voor doen. Het deurtje openzetten, zeker, maar dat kan soms wat zwaar zijn. En mogelijk is dat bij klassieke muziek moeilijker dan bij lichtere muziek. Maar als het lukt zijn we trots en voldaan.

Verder ontstaat smaak ook door sociale interactie. Smaak kan een effectief onderscheidingsmiddel worden. Kleuterjongens gaan K3 afwijzen omdat het “meisjesmuziek” is (Ter Bogt). En dat kan werkelijk gebeuren van de ene dag op de andere, zoals ik kon waarnemen bij mijn eigen kleinkinderen. In de puberteit wordt muziek gebruikt om vrienden te selecteren. Een cool T-shirt bij een cool persoon betekent navolging en daarmee goede smaak. Smaak is dan vooral een zaak van identiteit. Dit proces zet zich voort in de volwassenheid: highbrow luistert naar klassiek en/of jazz, het volk naar Hazes, pubers naar electric. Cliché, zeker, maar we denken nu eenmaal in patronen. Je weet waar je bij wilt horen. Herinneringen, associaties met gelegenheden waar bepaalde muziek werd gespeeld, lijken minder belangrijk. Herinneringen hebben wel een grote invloed op de emotionele beleving.
Dat voorkeur uitsluitend een sociaal interactief gebeuren is, zoals sommige auteurs (Bourdieu) stellen, lijkt mij onwaarschijnlijk. Ik meen te zien dat mensen ook los van de omgeving soorten muziek kunnen toelaten en mooi kunnen gaan vinden. Maar altijd wordt muziekvoorkeur in bepaalde mate een afspiegeling van de persoonlijkheid, het wordt een stukje identiteit.

Smaak, het “mooi vinden”, het waarderen, heeft dus de volgende wortels:

  1. Aangeboren muzikaliteit.
  2. Patronen die je als kind leert, cognitieve schema’s. In belangrijke mate cultureel bepaald.
  3. Wat je hersenen aankunnen. Bijvoorbeeld ingewikkeld jazzstuk wel, dodecafonisch werk, met dissonanten en experimentele geluiden niet. En wat je hersenen aankunnen (ontvangdoosje) kan variëren en ontwikkelen.
  4. Verdere ontwikkeling naar buiten, verleggen van patronen op basis van sociale interactie en onderscheiding. Ook hier kun je selecteren.
  5. Verdere ontwikkeling naar binnen, verleggen van patronen op basis wat je mooi vindt of bij je “binnenkomt”, en zeker ook wat je “toelaat”.