Postromantiek


Fin de siècle: van romantiek naar modern

Eerst nog even kort terug naar het begin van de romantiek, die meestal rond 1800 wordt gesitueerd. Romantiek staat voor een ideeënwereld die tot op de dag van vandaag een grote invloed heeft op de kunst en de literatuur. De ideeën zijn eigenlijk een reactie op het  optimisme en het rationalisme van de Verlichting, keren zich tegen de burgermaatschappij en tegen de strenge regels waaraan kunst en literatuur moest voldoen. Op alle gebieden wordt gepleit voor “vrijheid”. Het optimisme maakte plaats voor een afkeer van de dagelijkse werkelijkheid. Romantiek is in wezen een “wegdromen van de werkelijkheid”. Men ging geloven in een hogere onzichtbare wereld en veelgebruikte thema’s zijn natuur, liefde, hartstocht, dood, vreemde landen. De nadruk op het verstand moest plaats maken voor het gevoel en de emotie. De kunstenaar werd van burgerman tot bohemien, niet meer in loondienst, maar zelfstandig werkend, soms in opdracht maar even zo vaak vrij. Deze ideeën leven, zij het in wisselende mate, nog steeds voort. Het einde van de romantiek is dan ook moeilijker te bepalen, zeker voor de muziek. Wanneer kan er sprake zijn van postromantiek?

In de schilderkunst van de negentiende eeuw en daarvoor is een ontwikkeling te zien van rationalisme naar romantiek, vandaar naar realisme en tenslotte uitmondend in impressionisme en symbolisme, met vertakkingen naar allerlei andere –ismen. De letterkunde volgt deze ontwikkeling, maar in de muziek is deze minder duidelijk. Rond het midden van de negentiende eeuw zien we het realisme opdoemen. Het gaat vooral om het leven van alledag, de mens met zijn dagelijkse beslommeringen: het concrete, het aanschouwelijke, het detail. Voorbeelden zijn te vinden bij Stendhal, Flaubert, Dickens, maar ook in Nederland met de Camera Obscura van Nicolaas Beets (1939). Deze ontwikkeling is een uiteraard een weerslag van de “tijdgeest” en is terug te zien in maatschappelijke ontwikkelingen en andere kunstvormen.

Nu was de 19e eeuw ook de eeuw van de industrialisatie, en veel mensen leefden in armoede. Er was een trek van het platteland naar de stad, veel mensen hoopten in de fabrieken werk te vinden, maar dat werd vaak slecht betaald. In de romantiek kon je wegdromen van die realiteit, het realisme bepaalde je veel meer daarbij. Sociale problematiek met armoede en uitbuiting werden getoond, kunstenaars gingen zich engageren, werden “betrokken” bohemiens.

 

De negentiende eeuw was een periode met relatief grote vooruitgang op wetenschappelijk en technisch gebied: spoorwegen, bruggen, telegraaf, telefoon, automobiel. Darwin schreef zijn On the Origin of Species en legde de basis voor de evolutietheorie met het grondidee “survival of the fittest”. De psychologie ontwikkelde zich (Freud, Jung). Al deze factoren vonden hun weg in het realisme en gaandeweg ontstond  een nieuwe beweging, het naturalisme. Het naturalisme wilde de werkelijkheid van het realisme verklaren. Aan de psychologie is het te danken dat de verhalen vaak over psychisch kwetsbare vrouwen gaan (Eline Vere), de evolutietheorie zorgt ervoor dat mensen vaak deterministisch worden gezien (de mens is nu eenmaal zo: zwak, slecht, vul maar in).  Determinisme en naturalisme zijn goed terug te vinden bij schrijvers als Ibsen en Zola en in Nederland Heijermans.

 

 

Edouard Manet Le Déjeuner sur l'Herbe (The Picnic)

Edouard Manet: Le déjeuner sur l’herbe

Grote voorbeelden van de school van realisme zijn Courbet, Ingres, Millet en Manet. Ook de Haagse School met Jozef Israëls en Anton Mauve kunnen we ertoe rekenen. Een sprekend voorbeeld van dit  realisme is het bekende schilderij van Edouard Manet “Le déjeuner sur l’herbe” (1863). Dat beeldt geen naakt van een godin uit maar van een gewone vrouw.  In de muziek zien we het realisme terug in de opera (behoorlijk later trouwens dan in de literatuur). Gaat het bijvoorbeeld  bij Verdi vaak om koningsdrama’s, bij Wagner over de Germaanse mythologie, bij Puccini worden mensen van alledag getoond.

impression

Claude Monet: Impression

In 1874 werd het schilderij Impression van Monet geëxposeerd en dat veroorzaakte een sensatie. Het stelde een impressie voor, en wel (kort gezegd) de indruk die de zonsopgang met zijn sfeer en kleuren maakt op de emotie van de kunstenaar. Veel commentaren deden het als “behang” af, maar de stroming van het impressionisme was geboren.
Centraal stond het schilderen van impressies, veel minder nauwkeurig dan bij het realisme, en met veel nadruk op licht, voorliefde voor duidelijke en heldere kleuren. Weldra werd het een beweging met veel navolgers. Het is zeker te zien als een reactie op het realisme.

In de muziek ging met name Claude Debussy zich toeleggen op weergave van stemming en impressie door andere klanken te produceren dan tot nu toe gebruikelijk. Uiteraard werd hij daarbij beïnvloed door het Impressionisme, maar vrijwel zeker moet zijn muziek ook worden gezien als een reactie op de ontwikkeling van de Duitse Romantiek van Wagner, Brahms en Mahler, met steeds grotere orkesten, nieuwe instrumenten, steeds grotere nadruk op virtuositeit. En mogelijk is ook het gevolg van de Duits-Franse Oorlog (eindigt in 1870) met bijpassend vijandbeeld hieraan niet vreemd. Hoewel romantische kenmerken aanvankelijk goed te herkennen zijn en mogelijk ook wel domineren, ging zich allengs een heel andere stijl aftekenen met bijvoorbeeld bijzondere akkoorden, parallelle bewegingen, andere toonladders, maar wel duidelijk minder aandacht voor de melodie. Deze stijl wordt vaak “impressionisme” genoemd, maar deze naam kan verwarrend zijn, omdat de stijl veel meer omvat. In Debussy’s voetsporen traden (de één meer, de ander minder) componisten als Ravel, Fauré, Skriabin in Rusland, Delius (Engeland), Respighi (Italië), Albeniz en De Falla (Spanje). Weinig componisten gebruikten het geheel aan vernieuwend repertoire.

In de literatuur zien we bij veel schrijvers impressionistische trekken, maar vaak als kleuring van andere stijlkenmerken. Impressionisme in de literatuur herkennen we vooral als gebruik van klankwoorden en onomatopeeën. In toenemende mate was er sprake van verbeeldingskracht, irrationaliteit, droombeelden en dat leidde tot een belangrijke beweging van die tijd, het Symbolisme. Hierbij zijn verbeelding en fantasie de centrale waarden. Er is een bijzondere hang naar onverklaarde dingen, naar onderbewust en esoterie. Een symbool kan dan een zintuiglijk waarneembare figuur zijn die verwijst naar een niet-zintuiglijke wereld. Er is een sterke voorliefde voor trance en droom. Symbolistische kunstenaars wilden hun persoonlijke gevoelens, emoties en dromen het liefst op een raadselachtige, magische manier weergeven om zo hun werkelijkheid te laten zien. In de praktijk zien we natuurlijk mengbeelden en combinaties met andere stijlen.

Odile Redon (1914) Le Cyclope, typisch voorbeeld van symbolisme

Odile Redon (1914) Le Cyclope, typisch voorbeeld van symbolisme

De droom werd ook een geliefd onderwerp in de opkomende psychologie. In 1900 verscheen (zeker niet toevallig) Freuds Traumdeutung. Ook hier hebben we ongetwijfeld te maken met een reactie op urbanisatie, verdwijnen van spiritualiteit, en materialisme door opkomst van de industrie. Paul Gauguin (1848-1903) is één van de eerste schilders die kenmerken van symbolisme verwerkt. Later Odile Redon (1840-1916), Gustave Moreau (1826-1898, met Salomé als symbool voor de femme fatale), in Duitsland Arnold Böcklin (1827-1901), in Oostenrijk Gustav Klimt (1862-1918), in Noorwegen Edvard Munch (1863-1944), in Nederland Jan Toorop (1858-1924). In de literatuur ontstond in Frankrijk met Charles Baudelaire, Stéphane Mallarmé, Paul Verlaine een duidelijk symbolistische beweging. Kunst werd geduid als autonoom (l’art pour l’art). Invloeden van deze beweging zijn ook in Nederland waarneembaar bij de Tachtigers.

Veel elementen van symbolisme nemen we waar bij Debussy. Zo liet hij zich inspireren door een gedicht van Stéphane Mallarmé over een faun in Prélude à l’après-midi d’un faune. maar ook iemand als Skriabin probeerde de spirituele niet-zintuiglijke wereld te verklanken in bijvoorbeeld Poème de l’extase. Fauré zette gedichten van Verlaine op muziek (En sourdine, Clair de lune, Fêtes galantes) en bereikt geweldige klankassociaties. Zo zien we dat componisten die veelal impressionist worden genoemd, ook symbolistische trekken hebben. Dit geeft aan dat we behoedzaam moeten zijn met etiketten, maar ook dat symbolisme vooral gezien kan worden als een benadering, meer dan als een stijl. Debussy wilde vooral geen impressionist worden genoemd! En ondanks de tegenstellingen zijn er ook parallellen te vinden tussen symbolisme en impressionisme. Het gaat beide om de zintuiglijke ervaring bij de luisteraar, het teweeggebrachte effect. Beide stromingen kenmerken zich ook door vervagende contouren en versluierde werkelijkheid.

Uit het impressionisme vloeiden vele -ismen voort die min of meer gemeen hadden dat niet de directe werkelijkheid, maar meer de beleving daarvan  het kunstwerk bepaalde: post-impressionisme, expressionisme, neoromantiek, kubisme, symbolisme. Vaak lopen deze kenmerken door elkaar, en vaak ook worden kunstenaars onder diverse  -ismen gerangschikt. Zo zijn er bij Van Gogh kenmerken van impressionisme, maar ook van expressionisme,  en wordt zijn werk vaak verschillend ondergebracht. Typische expressionisten vervormen desnoods de werkelijkheid om maar gevoel te kunnen uitdrukken. In de muziek worden bijvoorbeeld Igor Stravinsky en Arnold Schönberg als expressionist gezien, dat wil zeggen dat het hun vooral erom gaat de gevoelswereld tot uitdrukking te brengen. Een bijzondere plaats neemt het werk van Edward Elgar (1857-1934) in. Hij componeerde grotendeels in de romantische traditie, maar  gebruikte daarbij originele ideeën en invallen. De Enigmavariaties hebben mogelijk een symbolische inslag (stemmingswisselingen, gevoel van vriendschap, raadsel). Zijn stijl wordt wel neoromantisch genoemd en is hoe dan ook zeker folkloristisch (als Sibelius, Borodin, Dvorak). Richard Strauss (1864-1949) maakte in 1896 een muzikaal verhaal van het boek van Nietzsche “Also sprach Zarathustra”, een filosofisch werk met sterk symbolische inslag. De filosofische boodschap werd verpakt in een allegorisch verhaal.

 

Toorop: reclame affiche voor Calvé

Toorop: reclame affiche voor Calvé

Art nouveau of Jugendstil (deze termen wijzen naar nagenoeg hetzelfde) is een logische ontwikkeling van het symbolisme. Immers, symbolisme vraagt in zijn weergave van de complexe werkelijkheid als het ware om abstractie. In de Jugendstil werd veelvuldig gebruik gemaakt van symbolen, die versierd en gedrapeerd werden met geometrische figuren en guirlandes. Voorkeur bestond voor motieven van planten en dieren, maar dan vaak voor de complexere patronen zoals van orchideeën of pauwenstaarten.  Ook in de architectuur werd veel gebruik gemaakt van lijnen, rondingen en geometrie. Vormen waren vaak asymmetrisch en er werd veel gewerkt met hoektorens, dakkapellen, balkons en loggia’s. IJzer was een geliefd materiaal en werd veel gebruikt in trapleuningen en gevels.

In de muziek ontwikkelde zich de romantische traditie gewoon verder: breed uitgesponnen melodieën, steeds gedurfder harmonie. Alles werd minder simpel. Deze ontwikkeling wil ik illustreren door te luisteren en te analyseren hoe een componist een melodie behandelt. We gaan dan weer terug naar de vroege romantiek. Melodieën uit deze periode (bijvoorbeeld het thema uit de in 1823 geschreven Onvoltooide Symfonie van Franz Schubert (1797-1828)) zijn herkenbaar, mee te zingen en zouden een deel kunnen zijn van een lied. Typisch voor de romantiek is dat na de melodie nog even in een soort namijmering op de melodie wordt teruggekomen. Vergelijk dit eens met werk van Johannes Brahms (1833-1897), bijvoorbeeld uit zijn kamermuziek. Brahms’ melodieën liggen minder makkelijk in het  gehoor en zijn veel minder goed mee te zingen. Opvallend is ook dat bij deze werken de melodie veelal in verschillende toonsoorten terugkomt: modulatie. Door veelvuldig te moduleren maakt de componist het melodische interessant, niet zozeer door indruk te maken met de melodie zelf.

 

 

Franz Schubert: Thema uit de Onvoltooide Symfonie

Johannes Brahms: Thema uit de eerste cellosonate deel 2

 

Maar dan wordt alles heel anders met het melodisch materiaal van Debussy’s  Prélude à l’apres-midi d’un faune (1894). De fluit speelt een vreemde melodie, gebouwd over een overmatige kwart. Het is een melodie die niet direct thuishoort in ons tonale systeem. De bedoeling van de componist is natuurlijk het oproepen van een vervreemdend effect. Maar wat Debussy zeker ook wil is: nu eens iets anders te brengen dan het vertrouwde tonale. Zie hier het notenbeeld:.

Debussy: melodie van de Prélude a l’apresmidi dún faune

Het thema uit de Prélude à l’apres-midi d’un faune gecomponeerd door Claude Debussy:

 

Debussy’s prélude is zeker niet een uitgesproken atonaal werk. Maar door het gebruik van chromatiek, hele toonsafstanden en onopgeloste septiemakkoorden wordt bij de toehoorder het gevoel van tonaliteit wel geweld aangedaan. In de ontkenning van het tonale gaat Arnold Schönberg (1874-1951) verder, bijvoorbeeld in het zangstuk Erwartung, of de 6 kleine Klavierstücke op.19 voor piano uit ongeveer 1909, gepubliceerd in 1913. Hier is geen sprake van traditionele melodie, we kunnen het melodische op geen enkele wijze “thuisbrengen”, het tonale systeem is geheel verlaten . Het ging Schönberg er ook niet om mooie muziek te maken, muziek moest emotie uitdrukken en niets anders.
Een fragment uit Erwartung, een mini-opera met een zeer angstige vrouw die op haar geliefde wacht. Zij voelt al aan dat hij dood is:

 

Notenbeeld van de 6 Kleine Klavierstücke:

Schoenberg-19-1a

Schönberg, 6 kleine Klavierstücke op.19

 

We kunnen (met Pierre Boulez) stellen dat met de Prélude à l’apres-midi d’un faune het tijdperk betreden wordt van de moderne West-Europese muziek: afstand van het tonale systeem, originele instrumentatie, experimenteren met vorm en ritme. Overigens betekent dit niet dan het nu gedaan is met de traditie en de verworvenheden van de romantiek. Deze wordt naast de beschreven ontwikkeling voortgezet door componisten als bijvoorbeeld Elgar, Rachmaninoff en Richard Strauss. Stilisten hebben de term “neoromantiek” bedacht, een verwarrende term omdat die ook – en in mijn ogen even onjuist – gebruikt wordt voor een stroming die teruggaat naar tonaliteit.