Romantiek


Friedriech: Kerkhof in de sneeuw

Caspar David Friedriech (1774-1840): Kerkhof in de sneeuw, schilderij uit 1819

 

Romantiek

De romantiek is een belangrijke en interessante periode in de geschiedenis. Het begin kun je zien als een reactie op het intellectuele klimaat van de achttiende eeuw. Hierin had de rede het voor het zeggen, het was de tijd van het verstand en de menselijke maat. Dat had ook een politieke dimensie: het was ook de tijd van de de Franse revolutie, verzet tegen clerus en adel, maar ook kreeg men oog voor de rechten van de mens. Na de uitvinding van de stoommachine (1769) kwam langzaam de industrie op gang. In de kunst ging het om evenwicht en structuur, passie en vurigheid waren zo goed als taboe. Hoewel.. zo rond het midden van de achttiende eeuw was er zowel in de literatuur als in de muziek enig verzet tegen elementen van lieflijke gezapigheid in de vorm van de Sturm und Drang beweging, met accent op emotionaliteit en vurigheid. Naast inbedding in de gerichtheid op vorm en structuur (in de muziek de Weense Klassieken) ontwikkelde zich ook hieruit een geesteshouding die tegen het eind van de 18e eeuw en tot het midden van de 19e eeuw zeer invloedrijk was op gebied van beeldende kunst, muziek en literatuur: de Romantiek. De naam is ontleend aan de “romance”, een middeleeuwse term voor “verhaal”, en dit verhaal werd in de volkstaal verteld (Romaans) en bevatte vaak spannende, onwerkelijke en fantastische elementen.

De opvatting is dus dat na, maar ook tijdens de periode van rede en verstand (verlichting), er behoefte kwam aan zaken als gevoel en verbeelding. Vaak ging dit samen met een geïdealiseerd verleden, ver weg gelegen geheimzinnige oorden en verlangen naar de eeuwigheid en of de natuur. Meestal wordt de eeuwwisseling aangehouden als beginmoment. Evenwel moet worden bedacht dat literaire kunstenaars als Rousseau (1712-1778), Schiller (1759-1805) en Goethe (1749-1832) gezien de aard van hun werk en hun thematiek veel met de romantiek te maken hebben en meestal dan ook tot de romantici worden gerekend. Misschien is het beter het begin van de romantiek niet al te scherp te begrenzen, niet in de literatuur, maar ook niet in de muziek. In het werk van Mozart en Haydn kunnen we wel degelijk ook romantische trekken onderscheiden.

In de romantiek wordt het subjectieve en het emotionele een deugd, iets “om mee te geuren”. De romanticus wil wegdromen van de werkelijkheid en hervindt zich in de natuur en met name het overweldigende daarvan. De romantische kunstenaar is een eenzaam genie, vechtend tegen een vijandige wereld. Kunst moet de persoonlijke opvatting van de kunstenaar weergeven en niet gemaakt zijn voor het publiek.

 

Kenmerken

Kenmerken van de romantiek meer concreet weergegeven:

  • een grotere aandacht voor gevoelens : melancholie, sentiment, afschuw,
  • de (her) ontdekking van de natuur en het idee dat de natuur een zelfstandig wezen is (een organisme met een eigen leven),
  • geen dichterlijke beperking, spontane emotie als drijfveer van de kunst, grote waarde die wordt gehecht aan de fantasie en de verbeeldingskracht,
  • het zich richten op onbekende gebieden van de menselijke geest: het bovennatuurlijke en het onderbewuste en van de werkelijkheid, onontdekte gebieden.

 

In de Duitse literatuur werd in het begin van de romantiek erg gedweept met natuur, vrijheid, hartstocht. Kunstenaars begonnen zich uitverkorenen te voelen, alleen zij konden een glimp van het goddelijke opvangen. Maar de hogere werkelijkheid is in wezen onbereikbaar. Het optimisme van de verlichting moest wijken voor Weltschmerz en Sehnsucht. Er was ruim plaats voor humor, maar niet dan met een melancholieke ondertoon (Heine, in Nederland Beets en Haverschmidt). De Duitse romantische componisten (Schubert, Schumann, Brahms) voelden zich sterk aangetrokken tot de romantische literatuur en hebben veel gedichten van Goethe, Müller, Eichendorff en Heine op muziek gezet (Erlkönig, Die beide Grenadiere). Bij Schubert en Beethoven ging de romantische inslag nog gepaard met het klassieke gevoel voor structuur en vorm, bij latere componisten werd dat wel minder, het verdween echter niet.

 

In de beeldende kunst wordt duidelijk dat de kunstenaar als individu (en niet de groep, of de maatschappij) gaat over elementen zoals bijvoorbeeld onderwerp, licht, kleur. Alles staat in dienst van uitdrukking van gevoel. Ook natuur laat zich alleen maar benaderen door gevoelsmensen. Vooral het overweldigende karakter van de natuur heeft belangstelling. Naast natuur zijn ook historische momenten geliefde onderwerpen.  Belangrijke kunstenaars zijn Friedriech, Turner, Constable en Delacroix. In de bouwkunst worden de strakke vormen verlaten en komt weer aandacht voor lijnenspel (eerst empire, later neogotiek). De architectuur uit deze periode kenmerkt zich niet door een bepaalde stijl, er worden vooral stijlen uit verschillende andere stromingen gebruikt.

De negentiende eeuw is een periode van internationale ontwikkelingen (handel, industrie, kolonialisme), maar er tegenover staat een sterker wordend nationaal bewustzijn van allerlei volkeren (romantisch nationalisme, dat mogelijk uiteindelijk bijdroeg aan de 1e wereldoorlog). Dit nationalisme was in 1795 al merkbaar toen Haydn de opdracht kreeg een nationaal Oostenrijks volkslied te componeren. Naast de politieke gevolgen leidt nationaal bewustzijn ook tot aandacht voor de “eigen”  (folkloristische) muziek en de verwerking ervan in composities: Dvorak, Liszt, Smetana, Grieg.

In de muziek

Hoe kan het gevoelsleven door de muziek worden overgebracht?

  • Melodievoering in de Romantiek wordt gekenmerkt door brede melodische bogen die leiden naar een climax of een rustpunt (hierdoor zeggingskracht). Voorbeeld: Intermezzo uit Carmen, Bizet.
  • Tempo en dynamiek: zeer uitgediept, grote tempo verschillen, contrastdynamiek, van heel hard tot heel zacht.
  • Harmonie : zeer belangrijk uitdrukkingsmiddel. Ver en plots moduleren, met kleur werken, spanningsvolle, soms “smachtende” akkoorden.
  • Orkest. De basisvorm van het klassieke orkest blijft behouden, maar er komen nieuwe instrumenten bij (meer koperinstrumenten, harp, piccolo, Engelse hoorn, basklarinet, uitbreiding van slagwerk).  Gevoel kan worden uitgedrukt door grootschaligheid, of soms ook door het tegenovergestelde: kamermuziek voor een klein publiek dat begrip heeft voor het gevoelsleven van de kunstenaar.
  • Vormen als symfonie, sonate, strijkkwartet, blijven behouden maar worden uitgebouwd en minder strak gehanteerd. Het soloconcert wordt uitgebouwd naar een indrukwekkende solistische prestatie waarbij virtuositeit voorop staat. Er ontstaan nieuwe vormen : lied en liedcycli, concertouvertures, symfonische gedichten (een eendelig muziekstuk voor orkest, waaraan een buitenmuzikaal gegeven ten grondslag ligt), programmamuziek en programmatische symfonieën.  De eerste belangrijke symfonie in dit opzicht is de Pastorale van Beethoven, een klankschildering van het landleven. De Symphonie Fantastique van Berlioz gaat verder en vertelt meer een verhaal.
  • Componisten zijn niet meer in dienst van hof, kerk of adel aangesteld, mede als gevolg van de Franse Revolutie is dit patronage verdwenen. Componisten werken daarom in principe “voor zichzelf”. Zij proberen opdrachten te verwerven, en leiden een onzeker bestaan.

 

De invloed van de literatuur op de muziek is groot, en was dat zeker in de Romantiek. Naast de liederen wilden componisten ook een meer concreet verhaal vertellen dan in muziek sui generis mogelijk is. De Symphonie Fantastique van Hector Berlioz is een enorme aanzet daartoe, een muzikale beschrijving van Berlioz’ beproevingen en wederwaardigheden in drugs en liefde. Liszt ging verder en maakte de vorm van de muziek ondergeschikt aan de inhoud, met muzikale weergaven van Petrarca’s sonnetten, geschriften van Dante, verklankingen van beroemde schilderstukken, fantasieën over thema’s uit opera’s, en uiteindelijk het symfonisch gedicht, met navolging door met name Richard Strauss. In meer moderne tijden vond het componeren op basis van schilderijen nog meer navolging (Moessorgsky, Granados, Respighi).

 

Opera’s werden grootse en meeslepende muziekspektakels. Vooral in de opera kon hartstocht in de muziek tot uitdrukking komen. Opera werd steeds realistischer met personages die in alledaagse gebeurtenissen en situaties optreden, zowel in komische als serieuze spektakels. De historische plots en personages werden veelal sterk uitvergroot. De componist Wagner streefde naar de ontwikkeling van een Gesamtkunstwerk, een totale verwevenheid van verschillende kunstdisciplines in één werk. Wagners opera’s laten een voortdurende stroom van vocale en instrumentale muziek horen (= unendliche Melodie). Het zeer grote en kleurrijke orkest groeide bijna uit tot een ‘karakter’ in het drama omdat het leidmotieven (= terugkerende themamuziek bij bepaalde personen of stemmingen) presenteert, stemmingen verklankt en zangstemmen (aria’s) begeleidt. Wagner liet een ‘eigen’ operatheater bouwen (het Festspielhaus in Bayreuth).

De muziek van Wagner wordt wel gezien als “wegbereider” voor de moderniteit. Er zijn zoveel en zo rijk geschakeerde modulaties en chromatiek dat het tonaal verband af en toe lijkt weg te vallen. Het is van daar maar een korte stap naar de atonaliteit.

Rond het midden van de negentiende eeuw traden in de kunsten andere kenmerken naar voren en verflauwde het typisch romantische. In de muziek echter waren de verworvenheden van de romantiek nog niet uitontwikkeld. Meer hierover in de andere hoofdstukken over Romantiek.