Barok


Periode van de Barok (grofweg 1600-1750)

 

De term Barok is een achteraf gegeven benaming voor de periode in de muziekgeschiedenis van ongeveer 1600-1750. De naam heeft iets negatiefs: overdaad, versieringen, pracht en praal. Dat is ook wel een beetje zo, maar de kunststijl valt beter te begrijpen door die te zien als een grenzeloos genieten van de technische en intellectuele verworvenheden.
De samenleving in de 17de eeuw is nog steeds een standenmaatschappij, waarbij koning als absolute heerser en adel de eerste stand zijn, de clerus (geestelijken) de tweede stand, en gewone burgers en boeren de derde stand. Deze ordening is alleen door macht (officieel was dat uiteraard vooral het leger) te handhaven, omdat de burgers in de steden door de opbloei van de wereldhandel in toenemende mate rijker en steeds beter opgeleid, dus mondiger werden. De groeiende welstand van de burgerij is één van de oorzaken van het tot bloei komen van kunsten in het algemeen, maar ook van openbaar theater (toneel, opera) en concertleven in de steden in het bijzonder, naast het al eeuwen bestaande muziekleven aan kerken en hoven.

De Barok als kunsthistorische periode wordt gekenmerkt door een voorkeur voor opzichtige schoonheid, monumentale bouwwerken, met rijke, vaak zeer overdadige versieringen. De kunst in de kerken straalt uitbundigheid uit die moet worden gezien in het kader van de contrareformatie en wel als een reactie op de soberheid van de reformatie. Dit klopt met het gegeven dat in het noorden van de uitbundigheid minder te zien is dan in het zuiden! In de muziek wordt de monumentaliteit bijvoorbeeld weergegeven in de aankleding en uitvoeringspraktijk van de opera. De kunstenaar uit de Barok geeft wel uiting aan persoonlijke gevoelens en emoties (affecten), maar doet dat op een gestileerde manier volgens regels en conventies. De rijpe barokstijl is theatraler, grootser van opzet en dramatischer dan de renaissancestijl. In de Renaissance ligt de nadruk op soberheid, in de Barok op affecten en dramatische expressie.
In de muziek blijkt meer mogelijk dan begeleiding van zang: bijvoorbeeld louter instrumentale muziek en dat kan doordat de instrumenten technisch vooruitgaan, en dat ontgaat componisten niet. Men experimenteert met samenspelen van instrumenten. Strijkers worden gecombineerd met blazers. Het orgel (geestelijke muziek) en clavecimbel (wereldlijke muziek) maken een enorme technische ontwikkeling door en bereiken in de Barok een hoogtepunt, in componeerkunst, maar ook in virtuositeit van de musicus.

 

Polyfonie was niet geschikt voor de zich vanaf 1600 ontwikkelende opera. Men verlaat langzaam maar zeker de polyfonie van de Renaissance, muziek wordt meer en meer homofoon, eenstemmig, dat wil vooral zeggen: melodie met begeleiding. De melodielijn is gemakkelijk te volgen. De verworvenheden van de polyfonie worden gestileerd en komen terug in de kunst van het contrapunt (regels voor samengaan van melodische lijnen: meerstemmigheid) en in figuren als canon of fuga.

 

Stijlkenmerken van de barok in de muziek:

Melodie.
De melodiebouw wordt gekenmerkt door opeenvolgingen in hetzelfde patroon: veel sequensmatige motiefherhalingen. Zo kan een voortdurend voortgaande melodische lijn ontstaan: voortspinningsmelodiek.
De melodie wordt bij de uitvoering versierd. Vaak staan bij noten versieringstekens, maar in veel gevallen mag de uitvoerder zelf versieringen toevoegen, wel volgens allerlei vaste regels en voorschriften.
De toonsoorten zijn majeur en mineur geworden mede door invloed van het basso continuo. De kerktoonsoorten spelen geen rol meer van betekenis.

Harmonie.
In de meerstemmigheid gaan de sopraan en de bas domineren. Typisch voor de barok wordt een rijk versierde sopraanpartij boven een streng doorgevoerde bas. Deze éénstemmig uitgeschre­ven baspartij wordt vaak door een basinstrument en toetsinstrument gespeeld (cello, even­tueel gamba of fagot en clavecimbel) waarbij de akkoorden door cijfers zijn aangegeven: basso continuo. Niet alleen is dit een term voor een wijze van noteren, het is ook een stijlkenmerk: over deze vaste bas vindt de ontwikkeling van de compositie plaats. Soms worden ook gestileerde dansen (chaconne, passacaglia) geschreven over een vaste baspartij bestaande uit een vast aantal maten.

Voorbeeld: Sonata Secunda van Giovanni Batista Fontana (±1630) voor blokfluit en basso continuo.

Ritme.
De muziek krijgt een duidelijke maatindeling en het ritme kan daarbij een sterk motorisch karakter krijgen.

Dynamiek.
wordt bepaald door terrassendynamiek of echodynamiek. Crescendo en decrescendo komen nauwelijks voor.

Uitvoeringspraktijk.
Affecten zijn gevoelens die men door middel van muziek tot uitdrukking wil brengen. Alles blijft wel gestileerd. Affecten kunnen van invloed zijn op de structuur van een werk. De affecten zijn bijvoorbeeld kwaadheid/ razernij, vreugde, vurige liefde, ernstige droefheid, rust/vertrouwen.
Meer en meer wordt samengespeeld met verschillende instrumenten, ook instrumenten van ander karakter, bijvoorbeeld blaasinstrumenten met strijkinstrumenten. Samenspel kan imponeren als wedijver, vandaar de term concert (=wedstrijd).

Componisten:
Italië: Claudio Monteverdi (1567-1643), Antonio Vivaldi (1680-1743), Pietro Locatelli (1695-1764).
Nederland: Jan Pietersz. Sweelinck (1562-1621) Unico van Wassenaar (1692-1766).
Frankrijk: Jean Baptiste Lully (1632-1687) Jean Philippe Rameau (1683-1764).
Engeland: Henri Purcell (1658-1695) George Friedrch Händel (1685-1759).
Duitsland: Georg Philp Telemann (1681-1767), Johann Pachelbel, (1653-1706), Johann Sebastian Bach (1685-1750).

Tijdens de barok ontstaan de volgende vormen:

Opera.
Deze ontwikkelt zich vanuit de madrigalen. Instrumentale begeleiding wordt normaal. De opera is vooral belangrijk in Italië en Frankrijk (hier vaak met ballet). Men onderscheidt  Opera seria (thema uit de Oudheid, statisch) en Opera buffo (volksopera). Een grondleggende componist was Monteverdi. Zijn opera’s die dateren uit het begin van de barok worden nog steeds met groot succes uitgevoerd! Virtuositeit gaat aanspreken en er ontstaat het Belcanto, vooral uitgevoerd door castraten.
Voorbeeld religieus: Uit Maria vespers Monteverdi
Voorbeeld opera: Aria Addio Roma uit Incoronazione di Poppea

Oratorium.
Lang muziekstuk voor orkest, koor en solisten met religieuze tekst. Soort opera voor in de kerk, maar zonder decors en kostuums. (Händel, Bach). Het verschil opera-oratorium zit in de inhoud (wereldlijk of geestelijk), niet in de lengte: oratorium en opera zijn beide dagdeelvullend. De opera is wereldlijk en wordt op toneel gespeeld. Veel geestelijke muziek is ongeschikt voor de liturgieviering door de lengte en de grote bezettingen.

Cantate.
Meestal korter dan een oratorium. Verder vergelijkbaar (J.S. Bach). Een cantate kan 15 minuten, maar ook 45 minuten duren. Een cantate kan een wereldlijke of geestelijke inhoud hebben, een oratorium vooral geestelijke thema’s.
De wijze van zingen is in de vorm van Recitatief en Aria. Het recitatief is een declamatorisch gezang op een duidelijk hoorbare toonhoogte. In de latere vormen worden onderscheiden:
•   Recitativo secco: alleen begeleiding door basso continuo
•   Recitativo accompagnato: begeleiding door orkest (als ‘filmmuziek’ wordt het verhaal ondersteund).

De aria wordt het platform voor de echte kunst van het zingen, in de vorm van een gestileerd lied. Het eerste deel van een aria wordt vaak (met veel versieringen) aan het eind herhaald: da capo principe.

Concerten.
In de vocale en instrumentale muziek is er sprake van een afwisselen tussen groepen, waarbij het ook kan gaan om solistisch bezette groepen. Uit deze concerterende stijl ontstaat het Concerto grosso, kamermuziek voor enkele strijkers en soloinstrument(en), meestal bestaande uit 3 tot 5 delen. Voorzichtig komt ook het Soloconcert (voor één instrument samen met anderen) op (Locatelli, Vivaldi, Telemann, Bach). Hierbij maakt het solo-instrument zich op momenten “los” van het totaal.
Voorbeeld: Concerto Grosso Corelli (kerstconcert), Vioolconcert Locatelli

Suite.
Een reeks van gestileerde langzame en snelle dansen: allemande, courante, sarabande, gigue. Soms verder uitgebreid en vooraf gegaan door een prelude of ouverture. Soms is er ook sprake van een niet-dans, de aria (liedvorm). De orkestsuite was bedoeld om uitgevoerd te worden door een groter gezelschap en is één van de voorlopers van de symfonie.

Sonate.
Een instrumentaal stuk waarvan de vorm zich verder ontwikkelt in de “klassieke periode”. Bestaat uit meerdere delen, meestal snel-langzaam-snel,dat wordt gezien als een evenwichtige indeling.

Fuga (letterlijk “vlucht”).
Een ingenieus polyfoon muziekstuk waarbij het thema in verschillende stemmen wordt ontwikkeld en herhaald: het thema vlucht van de ene stem naar de andere.

Stijlkenmerken van de barok in de beeldende kunst:

Sant'Ignazio_Church,_Rome

San Ignazio Rome

Het kenmerk van de barok in de beeldende kunst is vooral de uitbeelding van de beweging, figuren worden meestal in actie afgebeeld. Er is een grote eenheid waarin alles op zijn plaats is. Beeldhouwwerken krijgen een plaats in grote architectonische bouwwerken zoals kerken en paleizen. In de architectuur zien we dat de constructielijnen weggewerkt worden achter versieringen. Er wordt gespeeld met visuele effecten: trompe-l’oeil, gezichtsbedrog. Er zijn uitvoerige versieringen: nissen met beelden erin, ronde lijnen. Enkele barokke gebouwen:

San Ignazio Rome
Sint Pieter (Rome) (meer het inwendige), de colonnade op het Sint Pietersplein
Slot Schönbrunn (Wenen)
Louvre (Parijs)
Slot Versailles
El Escorial (buitenverblijf Spaanse koningen bij Madrid).

De barok in de architectuur is oorspronkelijk kerkarchitectuur, met als inspiratie de contrareformatie, bakermat dus vooral Italië. Later worden ook in het noorden vergelijkbare bouwkundige principes toegepast.

Sant_ignazio_ceiling

trompe-l’oeil in plafond San Ignazio Rome

De beeldhouwkunst bloeide enorm in de barok. Bernini heeft veel beelden gemaakt voor parken en fonteinen in Rome (ook de colonnade van het St.Pietersplein).

In de barok heeft de schilderkunst ook een grote rol gespeeld. Aspecten zijn: clair obscur (tegenstelling licht-duister) en het trompe l’oeuil (bedrieg het oog). Barokke schilders: Caravaggio, Velásquez, Peter Paul Rubens. Ook Rembrandt en Vermeer (Hollandse meesters) worden tot de barok gerekend, waarbij de meer ingetogen vormen worden verklaard door de meer calvinistische inslag in de Noordelijke Nederlanden.

 

 

 

Voorbeeld van een rijpe barokke compositie: 5e Brandenburgse Concert van Bach. In het voorbeeld hoort u het slot van het eerste deel, en wel de overgang van de solocadens in het thema.


Dit concert heeft het karakter van concerto grosso, maar mondt uit in een klavecimbelsolo, enorm virtuoos, duidelijk bedoeld om te schitteren als solist. Het is zeker van invloed geweest op de latere soloconcerten en de cadensen daarin. In de barok was er zeker sprake van “sterrencultus”. Dat gold voor componisten, maar ook voor uitvoerders. Componisten probeerden ook in een goed blaadje te komen bij vorsten en koningen en ook kerkbesturen. Daarnaast probeerde men producties te maken die geld opbrachten. Belangrijk was daartoe dat de muziek aansprak en dat de musici succes hadden. Bach deed aan deze cultus wel mee, maar op een nogal ingetogen manier. Veel uitbundiger was George Frederic Handel, die furore maakte in het Londense theaterleven, in die tijd (eerste helft van de 18e eeuw) het centrum van het Europese culturele leven.

Voorbeeld: aria Dopo notte uit Ariodante van Handel. De sopraan (toen een castraat, in deze opname een vrouw, Jennifer Larmore) kan schitterend en virtuoos uithalen in de coloraturen. Daar kwam in het Londen van 1735 publiek op af!