Johann Sebastian Bach


 

Hausmann: Bach

Hausmann: Bach

 

 

Bach en barok

Johann Sebastian Bach leefde en werkte in de stijlperiode van de barok (evenals Rubens, Rembrandt, Vivaldi, Handel). De barok presenteert zich in de eerste plaats als een stijl van pracht en praal, mogelijk gemaakt door de toenemende welstand. De nadruk komt te liggen op theatraliteit, dramatische expressie en affecten. Affecten zijn gevoelens die men door middel van muziek tot uitdrukking wil brengen, bijvoorbeeld woede/razernij, vreugde, vurige liefde, ernstige droefheid, rust/vertrouwen. Maar Bach houdt alles wel netjes en gestileerd. Zoals Maarten ’t Hart schrijft: “Als bij hem de vulkaan in zijn binnenste tot uitbarsting komt, stroomt de gloeiende lava toch altijd ordelijk omlaag.” (‘t Hart, 53).  In de barok wordt de polyfonie verlaten en er komt eenstemmige muziek. De verworvenheden van de polyfonie worden niet vergeten, maar gestileerd en doorontwikkeld. Ze vinden hun plaats in figuren als canon of fuga. In de barok was steeds meer sprake van “sterrencultus”, maar in Bachs omgeving werd daarvan waarschijnlijk weinig gemerkt. In ieder geval was Bach daarin terughoudend, hoewel hij wel gevoelig was voor waardering. Bach was een genie. Dat moge blijken uit de thans nog steeds niet teruglopende belangstelling voor zijn Passies, of uit het opnemen van enkele van zijn composities ruim twee en halve eeuw later in de top honderd.

 

Korte levensloop

 

Bach stelde zijn eigen CV als volgt samen:

  1. Hofmusicus in Weimar bij Graaf Johann Ernst, anno 1703;
  2. Organist van de Neue Kirche te Arnstadt, 1704;
  3. Organist aan de Blasiuskirche te Mühlhausen, anno 1707;
  4. Kamer- en hoforganist te Weimar, anno 1708;
  5. Concertmeester, tevens aan hetzelfde hof, anno 1714;
  6. Kapelmeester en Leider van de Kamermuziek aan het hof van Zijne Hoogheid Prins von Anhalt Cöthen, anno 1717;
  7. Werd vandaar anno 1723 naar Leipzig geroepen om muzikaal leider en Cantor aan de Thomasschule te worden, waar hij naar Gods wil nog steeds woont en tegelijkertijd ook Kapelmeester van Weissenfels en Köthen is.

 

In 1714 vond Bach het tijd om elders te gaan weken, hij kreeg toen een baan aangeboden aan het hof in Cöthen. Het ontslag aan het hof in Weimar werd niet zomaar ingewilligd, zodat Bach de vrijheid nam toch te vertrekken. Zijn baas de hertog van Weimar spande een rechtszaak aan en dat betekende één maand gevangenisstraf! Maar daarna volgde een warm onthaal in Cöthen. Hier kreeg Bach vooral de gelegenheid wereldlijke muziek te schrijven.

In 1723 kreeg bach de baan van Thomascantor in Leipzig. Dat betekende vooral cantates en geestelijke muziek maken. De grote stad bracht oook allerlei voordelen: school voor de kinderen, keus uit meer musici.

In 1736, drie jaar nadat hij erom gevraagd had, verwierf hij zijn hoogste titel: “Hofcomponist aan het hof van Saksen en het Poolse Koninklijk Hof” (katholiek!). Zijn tweede zoon Carl Philipp Emanuel zou het later in het curriculum vitae bijschrijven. Deze zoon maakte enkele jaren na de dood van zijn vader, samen met Bach-leerling Agricola, een beschrijving van Bachs nalatenschap en kundigheden, in een boekwerk geheten Necrologie. Bach wordt daarin aangeduid als “de grootste organist en klavierspeler die wij ooit hebben gekend”. Uitgebreid worden geprezen zijn gave om in één oogopslag de mogelijkheden van een muzikaal thema te doorzien, het gemak waarmee hij partituren las, zijn muzikale gehoor en gaven als dirigent. Maar ook Bachs voorliefde voor een serieuze stijl met ook aandacht voor het komische, wordt geprezen, evenals zijn improvisatiekunst, zijn “ongekende precisie bij het uitvoeren”, zijn uitvinding van een nieuw soort vingerzetting, zijn gedegen kennis van de orgelbouw, en het gemak waarmee hij klavecimbels stemde. Tenslotte wordt trots vermeld dat Bach, toen de meeste klavierspelers hooguit drie kruisen of mollen aandurfden door problemen met de stemming, “geen toonsoorten hoefde te vermijden vanwege de onzuiverheid”.
Bach zag het allemaal veel eenvoudiger. Hij componeerde muziek “ter ere van God en ter verstrooiing van de ziel”. “Wat ik door ijver en oefening heb bereikt, kan ieder ander met een redelijk natuurlijk talent en enige vaardigheid ook bereiken”. Hij eiste wel perfectie en vooral ruimte voor zijn creativiteit, kon ook driftig worden als dat niet lukte, maar leidde verder een burgerbestaan zonder sterallures.

 

Brandenburgse Concerten

Tot Bachs meest originele scheppingen behoren de 6 Brandenburgse Concerten. Deze zijn in 1721 opgedragen en overhandigd aan de Markgraaf van Brandenburg, mogelijk als een sollicitatie. Volgens Wolff zijn de Brandenburgse Concerten overigens niet in Köthen ontstaan (waar Bach toen werkte), maar eerder in Weimar. Dat is aannemelijk, omdat Bach in Weimar al de Italiaanse modernisten al had leren kennen, die hem tot veel composities, waaronder klavecimbelwerken en  concerten, inspireerden. Verder heeft Wolff de opvatting dat Bach zichzelf zou hebben beschouwd als een “muzikale wetenschapper” in dienst van God, een componerende Newton die op zoek was naar de universele wetten van de harmonie. In de Brandenburgse Concerten probeert Bach alle tot dan toe actuele vernieuwingen van instrumenten uit, op een verrassend originele manier. De instrumentatie van alle concerten is dan ook verschillend. Het meest bijzonder is het vijfde Concert waarin een prachtige extraverte klavecimbelsolo is verwerkt. Waarschijnlijk is deze solo een latere uitwerking van een eerdere versie uit Weimar. In het tweede komt de trompet aan de orde, in het eerste jachthoorns. Veel delen uit deze concerten zijn later door Bach in cantates hergebruikt. De Brandenburgse Concerten zijn zeer populair, ze worden veel uitgevoerd en er zijn veel opnames van. Dit betekent echter ook dat veel uitvoerenden naar vernieuwingen zoeken en het anders willen doen dan anderen deden. Met als gevolg vaak snelle tempi, piepkleine bezettingen, overdreven fraseringen en zo. Mijn persoonlijke voorkeur blijft uitgaan naar de wat oudere opnames (Nederlands Kamerorkest met Szymon Goldberg, of Karl Richter).

 

Bach een componerend genie

Bach was, zoals hij zelf zei, ijverig en plichtsgetrouw. Bij lezen van biografieën wordt duidelijk dat hij bezeten was van muziek. Dit blijkt uit:

  1. Hij had een unieke en grote muziekbibliotheek. Hoewel hij nooit verder heeft gereisd dan Midden- en Noord-Duitsland, wist hij heel goed wat er in Europa gaande was op het gebied van muziek.
  2. Hij had aanleg voor virtuositeit en professionele perfectie en streefde ook daarnaar. Extreme leergierigheid dreef hem vooral in zijn jonge jaren naar de beste virtuozen en leermeesters.
  3. Hij wilde graag origineel zijn en zocht steeds naar mogelijkheden om grenzen te verleggen.
  4. Vernam hij een muzikaal thema, dan begon hij meteen te denken aan de mogelijkheden voor harmonie en contrapunt. Hij zag het als een spel om er iets van te maken. Vergelijkbaar met het oplossen van een sudoku, probeerde Bach, na zich een opgave te stellen, de puzzel ter hand te nemen, om zo een thema goed uit te werken en er bijvoorbeeld een fuga van te maken.

Het genie wordt dus gevormd door de combinatie van bezetenheid, vlijt, trots op zijn vak en plezier in uitwerkingsproblemen. Zijn omgeving waardeerde dit wel degelijk. Koning Frederik de Grote nodigde hem uit en gaf hem een thema waarover hij moest parafraseren (Das Musikalische Opfer). Dat was beslist een grote eer. In heel Europa wist men van hem. Hoewel bij zijn leven niemand een idee had over zijn betekenis, verschenen nog maar kort na zijn overlijden in kranten en tijdschriften artikelen over hem.

Bachs zonen vonden  hun vader zeker geniaal, maar naar goed gebruik ouderwets. Immers hij ging niet mee met de mode van die tijd, de galante stijl, een stijl die later vooral door zoon Johann Christian intensief werd beoefend en uitgewerkt. Ik denk dat Bach in die stijl onvoldoende middelen vond om de door hem gewenste diepgang te bereiken. Hij heeft zich wel degelijk als jonge componist met die stijl beziggehouden in zijn Suites voor orkest: zeker galant, maar met nadruk op originele contrapunt en harmonie, en dat was nou net niet volgens de mode. Overigens, die Suites hebben de eeuwen uitstekend doorstaan, ze worden nog vaak gespeeld, geheel of in delen, in allerlei uitvoeringen, zelfs in gepopulariseerde gedaantes (Badinerie, Air).

 

Johann Sebastian Bach had veel leerlingen die zijn erfgoed verder verspreidden. De bewondering was groot, niet alleen voor zijn musiceren, ook voor zijn composities. Men vond ze erg goed, hoewel hier en daar ingewikkeld. Uit de beschrijvingen komt ook naar voren hoe Bach componeerde: welgemoed, met soms pijp en vaak een glas brandewijn, maar volledig ontspannen en bij voorkeur in de avonduren als de rest van de familie reeds op bed lag. Hij maakte geen gebruik van een klavier. Bach hoefde zo nodig  geen “ster” te zijn , maar wilde wel worden gewaardeerd! En waardering voor Bach is altijd blijven bestaan, ook in periodes die weinig van doen hadden met zijn stijl van componeren. Beethoven vond dat hij niet “beek” (Bach) maar “zee”  had moeten heten. Mendelssohn bewonderde hem als Leipziger en stadgenoot zozeer dat hij de Mattheus Passie onder het stof vandaan haalde en de basis legde voor de huidige Mattheuscultuur.