Componeren, samenstellen, muziek maken


Componeren van muziek: gereedschap en palet

 

KENMERKEN

Wat komt er kijken bij het maken van een stuk muziek? Stel dat we opdracht krijgen een stuk muziek te componeren, wat gaan we dan doen? Welke ingrediënten en bouwstenen hebben we nodig en hoe zetten we dat in elkaar? Hoe maak je van een reeks tonen en klanken een kunststuk?  Alvorens daarop in te gaan, lijkt het goed een aantal aandachtspunten te onderscheiden van waaruit we naar muziek kunnen kijken, of beter: luisteren.

 

Muziek = “kunst”

Een muziekstuk kun je zien als  een kunstwerk en het is als zodanig net zoiets als een schilderij, of beeldhouwwerk, of roman, of gedicht. Een muziekstuk kan ontroeren, kan emoties losmaken. Het is een “creatie” en heeft ook de naam “compositie”, betekent letterlijk “samenstelling”, en wordt gemaakt door een “componist”, letterlijk “samensteller”.

Muziek = natuurkundig

Zoals een schilderij een samenstelling is op een vlak, aangebracht door bijvoorbeeld verf, zo is een muziekstuk een samenstelling van klanken, van tonen, die worden gemaakt door lucht in trilling te brengen. Muziek is gebaseerd op een zuiver natuurkundig verschijnsel, namelijk dat in trilling gebrachte lucht klank produceert. De trillende lucht plant zich voort als een golfbeweging waarvan de frequentie samenhangt met de hoogte van de toon. Op het verschijnsel golfbeweging en frequentie kom ik later terug. Met klanken is communicatie mogelijk. De titel van deze site Numeni is de genitivus van Numenius Arquata, de Linnaeïsche naam van de weidevogel wulp, een vogel die in diverse talen is genoemd naar het muzikale geluid dat hij maakt: Frans courlieu, Engels curlew. Met dit geluid worden boodschappen gebracht: baltsen, strijdkreet, beïnvloeding van de groep. In het prachtige zangspel Curlew River laat Benjamin Britten (1913-1976) de fluiten het geluid van de wulp nabootsen.

Muziek = emotie

Met geluid kunnen we, zoals vogels dat doen,  communiceren. Maar met muziek is iets bijzonders aan de hand. Wij luisteren naar muziek omdat wij daarin iets moois horen, het “doet ons wat”. Een compositie maakt iets los bij de luisteraar, en kan iets overbrengen van wat de componist wil vertellen. Het brengt een gevoel teweeg en dat is ook de bedoeling. “Muziek is hoe gevoel klinkt” (Victor Hugo). Daartoe moet een compositie wel een aantal eigenschappen hebben. En.. welke zijn dat? Als we die eigenschappen leren kennen en ermee vertrouwd raken – daartoe deze site – hebben we meer inzicht in een compositie en kan de muziek ons meer doen. Dat kan de emotie beïnvloeden. Datzelfde geldt uiteraard ook voor een boek, of een schilderij.

Muziek = historie

Als bij elk ander kunstwerk is een compositie ook een product van zijn tijd. Het is onderhevig aan kunsthistorische stromingen, aan technische mogelijkheden, aan heersende politieke en religieuze opvattingen, en daarmee is luisteren naar muziek ook een historische bezigheid. Daar komt nog bij dat het ook een persoonlijke creatie is van de componist, die ook zo zijn artistieke en persoonlijke ontwikkeling doormaakt.

 

Muziek bestaat uit vier grondelementen:

1. melodie, het horizontale verband (het “wijsje”)
2. harmonie, het verticale verband (het akkoord, de samenklank)
3. ritme, rangschikking van de klanken als functie in de tijd.
4. klankkleur, hoe klinkt een toon? Denk aan: schel, fluwelig, nasaal.

 

DE COMPOSITIE

Een exacte definitie geven van wat muziek is lijkt niet zo makkelijk, maar is misschien ook niet echt nodig. Hoe dan ook is muziek een “organisatie van geluid en stilte in de tijd”, maar dat alleen maakt nog geen muziek. Van belang is dat muziek pas muziek wordt in de “ontvangstruimte” van de luisteraar. Daar is de beleving, het al dan niet mooi vinden, de emotie. Een componist geeft de organisatie van geluid en stilte zodanig inhoud en vorm dat er een kunstwerk ontstaat, dat in staat is gevoelens van schoonheid en emotie te genereren bij de luisteraar. En zoals bij bijvoorbeeld beeldende kunst kunnen we verschillende aspecten aan een muzikaal kunstwerk onderscheiden. De basiselementen zijn de tonen, de klanken. Verder zijn er structurele (opbouw, vorm) en functionele (wat doet het) aspecten, die meer op het kunstwerk als geheel betrekking hebben. De vergelijking met een beeldend kunstwerk doortrekkend: basis zijn lijnen, streken en kleuren. Structurele elementen zijn voorstelling, compositie, perspectief, en functionele elementen maken de emotie bij de toeschouwer, zoals uitdrukking van verdriet of spanning.
 

Basiselementen

In de eerste plaats wordt gewerkt met de basiselementen van de muziek, deze hebben te maken met de tonen, de klanken:

1. De melodie. Dit is het meest opvallende element in de muziek. In de melodie bevinden zich meestal de hoogste tonen. Een melodie kan diverse karakteristieken hebben: herkenbaar, zingbaar, ingewikkeld, etc. De eenvoudigste vorm van melodie is het volkswijsje, of kinderliedje. De opbouw hiervan is vaak gestructureerd: strofen die op elkaar lijken, met een duidelijk strofe-einde, vaak worden strofen herhaald met of zonder veranderingen, uiteindelijk eindigt het lied met de laatste strofe. De meesten van ons hebben zoveel liederen leren kennen dat we niet eens stilstaan bij deze herkenbare structuur. Een melodie met minder opbouw noemen we vaak: thema, of motief. In een melodie zijn altijd veel herhalingen, van motiefjes, van strofen, van tonenreeksen. Vaak zijn er ook bijna-herhalingen, net even iets anders, of op andere toonhoogte. Een mooi voorbeeld is de ode “An die Freude” van Beethoven.

2. De harmonie. Deze verrijkt en ondersteunt de melodie. Het zijn de tonen  die gelijk en in samenhang klinken met de melodie. Men spreekt wel van verticaal toonverband, en dat is een akkoord: verband van twee of meer toonhoogten in samenklank. Harmonie is typisch voor westerse muziek, weinig andere culturen gebruiken harmonie, akkoorden.  Akkoorden kunnen elkaar opvolgen, vaak gaat dat in een bepaald patroon. Harmonie is niet zingbaar, toch blijkt het zeer belangrijk en onderscheidend. We horen het duidelijk als een akkoord niet klopt.

3. Ritme is een met regelmaat terugkerend patroon van tonen (in de beeldende kunst wordt een terugkerend patroon ook ritme genoemd, bijvoorbeeld bij film). Verwante begrippen zijn maat, beat, metrum, en in de praktijk zijn deze zaken vaak hetzelfde als ritme. Voor een goed begrip kunnen we ritme zien als te zijn gebouwd op de tel-eenheid, dat is de eenheid waarmee we, soms als vanzelf, gaan meebewegen, de maat trappen of slaan, de puls, de beat, de slag op gelijke tijdsafstanden. Typisch voor bijvoorbeeld het Gregoriaans is dat er geen beat is. We responderen enorm op beat (“in de maat”). We horen veranderingen in beat dan ook meteen. Beat heeft sterke en zwakke pulsen, en ons brein maakt van beat vrij snel een groep van 2,3 of 4, met een “downbeat”, de “één”. Zo ontstaan maatsoorten, tweekwarts, driekwarts, vierkwarts. De maatsoort is de “grid”, het rasterwerk,  van de westerse muziek. Het metrum is een ritmische maateenheid, de regelmatige wijze waarop geaccentueerde en ongeaccentueerde delen elkaar afwisselen, en die kan ook aanwezig zijn in gesproken woord (hexameter, jambe). Spraakritme is individueel bepaald, en mensen kunnen niet gelijk in vrij ritme dezelfde tekst lezen en spreken. Dat kan wel door te synchroniseren met metrum en dat is een specifieke deskundigheid van ons brein. Daarmee kunnen we in groepsverband spreken (spreekkoor), maar ook zingen. Ritme speelt in de klassieke muziek een ondergeschikte rol in die zin dat de beat niet op de voorgrond staat. Het is er wel, soms zelfs opvallend (bijvoorbeeld bij Bach) maar fungeert niet direct als uitdrukkingsmiddel, uitzonderingen daargelaten. Dat gebeurt pas bij modernere componisten, en vooral is dat het geval bij de jazz. In de twintigste eeuw gaan componisten steeds meer experimenteren met ritme en maatsoorten, voor die tijd waren ze meer bezig met uitbouw van harmonieën.

4. Klankkleur of timbre wordt gemaakt door het geheel aan boventonen. Daarmee kunnen instrumenten en timbres worden onderscheiden, daarmee wordt klankkleur gemaakt. Klankkleur is voor een muziekstuk wat kleur is voor een schilderij.

 

Functionele aspecten

5. Spanning-ontspanning. Net als bij een boek of een beeldend kunstwerk is het de bedoeling dat de toehoorder iets ondergaat. Eén van de manieren waarop dit  kan worden bereikt is de opvolging spanning-ontspanning. Spanning streeft naar ontspanning, naar “oplossing”. Je kunt dit bereiken door de melodie te variëren in een opeenvolging van akkoorden. Er zijn akkoorden of samenklanken die wij in meer of mindere mate voor de hand vinden liggen, die ons vertrouwd overkomen (dat heeft te maken met cultuur, hoe wij gewend zijn te luisteren). De spanning-ontspanning kan worden versterkt door de opeenvolging van dissonant naar consonant, ofwel het streven om een minder goed in het gehoor liggende samenklank te doen “oplossen” naar een meer harmonieuze samenklank. Zoals wij gewend zijn in onze westerse samenleving associëren wij de harmonieuze samenklank met de “grondtoon” van een muziekstuk. Afwijkingen van de grondtoon ervaren we als spanning, overgang naar de grondtoon ervaren we als “thuiskomen”. Je zou  de grondtoon ook als horizon kunnen beschouwen, als centraal referentiepunt. De melodie horen we ook graag beginnen met de grondtoon, en ook eindigen. Dan zijn we weer thuis, dan is er ontspanning. Dit is toe te lichten aan het fragment van de Beatles op de homepagina van deze site, maar bijvoorbeeld ook aan het Stabat Mater van Pergolesi en dan met name het eerste deel.
Verder zijn we bij het luisteren erg gesteld op herhalingen, daarmee voelen we ons thuis. Een kleine afwijking van die herhaling (“schending” van de verwachting) ervaren we ook als spannend en we willen dat ons graag eigen maken. Maar een te grote afwijking van het verwachte kunnen en willen we ons niet eigen maken en dat vinden we meestal niet erg mooi (denk aan moderne muziek).

6. Moduleren. Dit betekent: verschillende toonsoorten gebruiken. Het zou te ver voeren om diep in te gaan op toonsoorten. Maar bijna altijd ervaren we het als er wordt gemoduleerd. Een voorbeeld waar  een niet geschoolde toehoorder merkt dat er van toonsoort wordt gewisseld, en zo kan horen dat ook hiermee spanning wordt opgewekt (vergelijkbaar met punt 4), is de Canzonetta “Voi che sapete” van Mozart. Moduleren zou je kunnen omschrijven als van horizon wisselen, of van perspectief wisselen. Ook hier is sprake van spanning zoeken, op reis gaan en “weer thuiskomen”. 

7. Dynamiek: verschil aanbrengen tussen hard en zacht. Dit verschil kan een groot verschil in uitdrukking betekenen. In de barok is vooral sprake van terrassendynamiek (plotseling verschil tussen luid en zacht, met vaak echo-effect, later wordt ook veel gewerkt met crescendo en decrescendo.

8. Tempo. Langzaam is meestal meditatief van aard, snel meer voor de opgewonden of vrolijke stukken.

 

Vorm

Een compositie moet, zoals elk kunstwerk, ook een bepaalde vorm hebben. We kennen vele vormen die veelal ook te maken hebben met het gebruikte instrumentarium. Soms is de vorm mede bepalend voor de titel: symfonie, sonate, suite, fuga, rondo. Het is niet doenlijk alle bestaande vormen uitputtend op te noemen, laat staan te behandelen, beter lijkt het om van de stukken die worden gehoord aan te geven welke vormaspecten van belang zijn voor de opbouw van het stuk. Veel stukken uit de zg. klassieke periode, en ook later uit de romantiek, zijn drie- of vierdelig, bijvoorbeeld een sonate of symfonie. De delen hebben meestal een eigen tempo, zodat langzaam en snel kan worden afgewisseld. Het eerste deel van een dergelijk werk heeft meestal een typische vorm: de “hoofdvorm” of “sonatevorm”. Om aan te geven dat terminologie in de muziek vaak verwarrend is: deze vorm is vooral een belangrijk opbouwmiddel van een symfonie, maar ook van een sonate. De overige delen van een stuk hebben veelal ook weer een eigen vorm. Meestal gaat het om 5 vormen:

  • strofisch AAAAA
  • binair AB (bijvoorbeeld Air van Bach)
  • ternair ABA (Für Elise)
  • rondo ABACADAEA
  • variaties A1, A2, A3, A4.

Een ander structureel aspect is de textuur, het weefsel. Je zou kunnen spreken van de dispositie van het materiaal. In het algemeen worden onderscheiden:

  • monofoon, alle stemmen gelijke noten
  • homofoon, bovenstem met begeleiding
  • polyfoon, gelijkwaardige stemmen tegelijkertijd, fuga, canon, contrapunt.
  • stilte.

 

VOORBEELD

De wijze van omgaan met bovenstaande factoren bepaalt uiteindelijk de compositie, het verhaal dat ons dient aan te spreken. De werkelijkheid is wel ingewikkelder dan hierboven gesuggereerd, maar de beschreven elementen zijn meestal toch goed te herkennen. Uiteraard “speelt” de componist ook met de elementen in die zin dat hij boodschappen kan overbrengen door bepaalde elementen juist niet te gebruiken, of bepaalde elementen overdreven te gebruiken. Zo maakt Richard Wagner veelvuldig gebruik van modulatie, en bijvoorbeeld Claude Debussy gaat proberen de grondtoon vrij te geven, waardoor de toehoorder het gevoel heeft de horizon te missen.

Tenslotte wijs ik graag op een tekenend voorbeeld van een muziekstuk dat de genoemde zaken illustreert: Het vertelt een “verhaal”, er is een meeslepende melodie, er zijn veel wisselingen in instrumentatie, er wordt gemoduleerd, een sfeer opgroepen, er is spanning (vooral door het lang blijven “hangen” in de dissonant (dominant) in verschillende toonaarden) en uiteindelijk is er de oplossing naar de grondtoon, vooral goed te horen in het slot. Er is wel een beat, maar niet prominent aanwezig. Toen ik voor het eerst dit deel hoorde op een grammofoonplaat van het budgetmerk Supraphon (lekker goedkoop, redelijk goede uitvoering, maar matig geluid en heel veel ruis!) was ik diep onder de indruk:
Symfonie nr. 1 (1870) van Johannes Brahms (1833-1897), deel 4 Finale. Het stuk duurt zo’n twintig minuten, het bevat onder andere een alpenmelodie die Brahms zou hebben opgedaan bij een herder. Opeens is daar een soort koraal, maar – echt Brahms – net genoeg daar weer van verschillend. De vergelijking met Beethovens negende ligt voor de hand. Het zou best kunnen dat Brahms daaraan wel heeft gedacht, maar het is toch echt een heel ander stuk muziek. Ben je eenmaal in het verhaal van dit stuk meegenomen, dan ben je voorgoed een Brahmsfan.

De koraalachtige melodie uit het laatste deel van Brahms’ eerste symfonie: